T04269

Toezegging Kinderrechtentoets regeling versterking regie volkshuisvesting (36.512/36.881)



De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van de leden Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Aelst-Den Uijl (SP), Holterhues (ChristenUnie) en Hartog (Volt), toe het belang van het kind centraal stellen in de Regeling versterking regie volkshuisvesting en deze regeling aan een kinderrechtentoets te onderwerpen.


Kerngegevens

Nummer T04269
Status openstaand
Datum toezegging 23 juni 2026
Deadline 1 juli 2027
Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden R. van Aelst-den Uijl MA (SP)
drs. R. van Gurp (PRO)
E.W. Hartog (Volt)
drs. F.W.J. Holterhues (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie lagere regelgeving
Onderwerpen kinderrechtentoets
regeling versterking regie volkshuisvesting
Kamerstukken Novelle Wet versterking regie volkshuisvesting (36.881)
Wet versterking regie volkshuisvesting (36.512)


Uit de stukken

Handelingen I 2025/2026, nr. 35, item 11.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

(…)

Het laatste punt dat ik graag onder de aandacht van de minister wil brengen, is de pijnlijke bepaling welke woningzoekenden wel, maar ook welke niet in aanmerking komen voor indeling in urgentiecategorieën. Het pijnlijke is dat nu bepaald is dat gezinnen met kinderen die door eigen toedoen dakloos zijn geworden niet urgent verklaard kunnen worden. We kunnen nog een hele exegese uitvoeren over de vraag wat eigen toedoen is, maar ik hou me even bij die bepaling. Het College voor de Rechten van de Mens heeft ons gewaarschuwd dat dit op gespannen voet staat met artikel 2, lid 2 van het Kinderrechtenverdrag, omdat dit ertoe zou leiden dat kinderen benadeeld worden door het gedrag van hun ouders. We hebben het allemaal over intergenerationele armoede en intergenerationele frustraties. Als je in je jeugd een of twee of drie jaar dakloos bent, omdat je ouders — laat ik er even van uitgaan dat het door eigen toedoen komt — er een rommeltje van hebben gemaakt, dan kan dat een leven lang negatief doorwerken. Het is gewoon ook in strijd met het Kinderrechtenverdrag. Ik zeg dus niet dat mensen nooit uit hun huis gezet zouden kunnen worden, maar dan moeten ze naar andere woonruimte geleid worden. Anders komen de kinderen namelijk op straat te leven en dat is in strijd met het Kinderrechtenverdrag.

Wij zouden heel graag een bepaling opgenomen zien en de toezegging van de minister willen hebben dat zij bij afwijkingen die in dezen gemaakt moeten worden — wij begrijpen dat er afwegingen zijn — altijd het belang van het kind vooropstelt. Als het belang van het kind voorop wordt gesteld — dat is natuurlijk ook de kern van het Kinderrechtenverdrag — dan kunnen wij hier prima mee leven. Als het belang van het kind niet voorop wordt gesteld, dan zullen wij u bij motie moeten vragen om dat toch te doen. Daar ga ik de collega's in de pauze dan heel indringend voor aankijken, want dat is volgens mij een breedgedeelde wens in deze Kamer.

De heer Hartog (Volt):

(…)

De Voltfractie heeft al bij verschillende gelegenheden gepleit voor een kinderrechtentoets op alle relevante wetgeving. Deze Kamer steunt onze wens niet, maar in het voorliggende geval zou het in onze ogen toch heel nuttig zijn om een dergelijke toets te doen. Met de novelle heeft de minister het wetsvoorstel gelukkig weer compatibel willen maken met het internationaal recht. Daar is zij goeddeels in geslaagd. Echter, op het punt van de toegang van kinderen tot huisvesting ligt er wat de leden van mijn fractie betreft nog wel een verbeterpunt. De minister kent de bijdrage van het College voor de Rechten van de Mens. Daarin staan een aantal zeer relevante opmerkingen en aanbevelingen. Zo bepaalt het Kinderrechtenverdrag in artikel 3 dat bij alle maatregelen die kinderen raken de belangen van kinderen een eerste overweging vormen en expliciet moeten worden meegenomen. Dat is in het voorliggende pakket nog niet helemaal het geval.

Ik moet hiervoor een uitstap maken naar de ontwerpregeling. Daarin worden de urgentiecategorieën opgenomen. Een belangrijk detail daarin is dat er alleen urgentie is als het huisvestingsprobleem niet redelijkerwijs voorkomen had kunnen worden. Dat lijkt op het eerste gezicht aanvaardbaar, maar dat levert een probleem op als hierdoor een kind vanwege het gedrag van de ouder of ouders dakloos wordt. Dat is in de ogen van de leden van mijn fractie onaanvaardbaar. Daarom de volgende vragen. Herkent en erkent de minister dat deze paragraaf strijdig is met de rechten van het kind? Ziet de minister kans deze paragraaf uit de ontwerpregeling te verwijderen? Ziet de minister een andere oplossing voor dit probleem?

De heer Holterhues (ChristenUnie):

(…)

Is de minister bereid om alsnog een kinderrechtentoets te laten uitvoeren, waar ook mijn collega Van Gurp naar vroeg, zodat duidelijk wordt of de ontwerpregeling de rechten van kinderen voldoende waarborgt, mede in het licht van het VN-Kinderrechtenverdrag? Is zij bereid om deze regeling te herzien als blijkt dat dit onvoldoende het geval is? Wat wil de minister daarover toezeggen?

Mevrouw Van Aelst-den Uijl (SP):

(…)

Ook de rechten voor kinderen zijn op dit moment niet in lijn met de internationale mensenrechtenverplichtingen. Ze zijn ook niet in lijn met de oproep van het College voor de Rechten van de Mens. Hoe gaat de minister dit wel met elkaar in lijn brengen? Dat kan bijvoorbeeld door de kinderrechtentoets uit te voeren.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

(…)

Meerderen van u, de heer Hartog, de heer Holterhues, de heer Van Gurp en mevrouw Van Aelst-den Uijl, vroegen of ik bereid ben om toe te zeggen dat het belang van het kind altijd voorop wordt gesteld bij de afweging inzake urgentie. Ja, die toezegging kan ik volmondig doen. Geen enkel kind zou op straat moeten slapen. Met deze blik heb ik het onderdeel van de regeling vormgegeven. Uit het Kinderrechtenverdrag volgt dat kinderen niet gestraft mogen worden voor de keuzes van hun ouders. Ook moet het belang van het kind als eerste overweging worden meegenomen. Dat betekent dat een gemeente bij een urgentieaanvraag altijd moet toetsen op het belang van het kind. Dit zal ik ook zo expliciteren in de toelichting van de regeling.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Ik dank de minister voor haar heldere antwoord. Ik ben er ook blij mee, maar omdat ik altijd bang ben dat ik te gauw blij ben — dat is een risico — vraag ik nog heel eventjes door. U zei: het belang van het kind staat altijd voorop. U zei ook: daar zeg ik volmondig ja op. Daar ben ik heel blij mee, want dat was inderdaad letterlijk mijn vraag. U zegt ook dat u dat gaat expliciteren in de regeling. In een tussenzin zei u dat het belang van het kind meegewogen moet worden. Dat het wordt meegewogen, geloof ik allemaal wel, maar het gaat om de zwaarte van het meewegen. Als u dus zegt dat het wordt meegewogen, dat het belang van het kind conform het Kinderrechtenverdrag in die weging vooropstaat en dat u dat duidelijk maakt in de uitvoeringsregeling, als dat de toezegging is, dan ben ik tevreden.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De toezegging is absoluut dat het natuurlijk ook voor mij geldt om me op dit vraagstuk aan het Kinderrechtenverdrag te houden. We gaan daar ook niet lichtzinnig mee om. De gemeenten doen dat overigens ook niet. Ik denk dat de discussie potentieel ontstaat als het gaat over de ouders, niet zozeer over het kind. Meerderen van u vroegen — ik kom daar ongetwijfeld zo nog op terug — wat dan de omstandigheden zijn waarin het wel of niet urgent is. Aan welke voorwaarden moeten ouders voldoen om dat gezin als urgent te zien? Als u aan mij vraagt of het kind urgent moet zijn en altijd moet worden meegenomen in de weging, dan zeg ik daar volmondig ja op.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Ik wil het toch even precies hebben. U zegt: het staat voorop en het moet altijd worden meegenomen in de weging. Ik begrijp heel goed dat het ingewikkeld is, want het kan gaan om mensen die ingewikkeld gedrag vertonen — je kunt daarvan als samenleving ook nog zeggen dat ze het aan zichzelf te wijten hebben — maar die wel twee of drie kinderen hebben. Onze interpretatie van "het belang van het kind staat altijd voorop" wil zeggen dat die mensen dus niet dakloos mogen worden, omdat de kinderen niet dakloos mogen worden. Onderschrijft u die interpretatie?

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Ja, ik onderschrijf dat kinderen niet dakloos mogen worden. Ik ga mijn aarzeling hierbij toch uitspreken, want dan weet ik zeker of we elkaar helemaal goed hebben verstaan. Anders doe ik misschien een toezegging op iets … Als er ouders zijn die eigenlijk zodanig in de problemen zitten dat het vraagstuk is of die drie kinderen uit uw voorbeeld samen gehuisvest moeten worden, bijvoorbeeld omdat er problematiek met drugs en alcohol zou zijn, dan speelt er in dit theoretische geval natuurlijk een andere vraag, naast het feit dat deze kinderen nooit dakloos moeten zijn. De vraag is dan of het op dit moment in hun leven de veiligste plek is voor hen om bij hun ouders te zijn. Op de vraag of we altijd meewegen dat een kind vooropstaat en dat het kind recht heeft op een dak boven zijn of haar hoofd, heeft u van mij als antwoord een volmondig ja.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Dit is het laatste wat ik hierover zeg. Ik begrijp natuurlijk dat er situaties kunnen zijn, hopelijk zo weinig mogelijk, waarbij het voor een kind niet verantwoord is om bij deze ouders op te groeien, maar dat is een ander type beoordeling. Dat is een beoordeling die jeugdbeschermingsorganisaties en de kinderrechter moeten maken. Die kan leiden tot waar die deskundigen zich in hun beroep door laten leiden. Ook als die zou oordelen dat het kind wel bij deze ouders moet zijn, staat dan het belang van het kind zodanig voorop dat het kind niet dakloos zou worden?

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Dat kan ik toezeggen.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel. Dan ga ik nog heel goed nadenken over of ik nog wel een motie hoef in te dienen. Dank u wel.

Mevrouw Van Aelst-den Uijl (SP):

Dank aan de minister voor de toezegging dat de ontwerpregeling aangepast gaat worden. Wij zijn nog wel benieuwd of dat dan ook betekent dat we daarop bijvoorbeeld de kinderrechtentoets laten doen, dus dat we laten meekijken om te zien of dit genoeg is. Dat is natuurlijk wel wat de motie-Perin van enige tijd geleden over wetten stelt. Maar goed, die gaat niet over dit type ontwerpregelingen. Wij zouden het geruststellend vinden wanneer we dat ook nog even laten checken, door die kinderrechtentoets te doen, zo van: zijn we nu echt accuraat genoeg geweest? Dat ligt ook in het verlengde van wat de heer Van Gurp zojuist vroeg. Dat zou helpen.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Dat kan ik mevrouw Van Aelst-den Uijl toezeggen.

De heer Hartog (Volt):

(…)

Ik heb een vervolgvraag op wat er net is gezegd. De minister geeft aan wat haar interpretatie zou zijn van iemand die op Schiphol landt met kinderen, maar het Kinderrechtenverdrag staat boven de minister. Als daar een kind landt, zal dat verdrag dus moeten worden uitgevoerd. Mijn vraag aan de minister is dus of zij bereid is die casus mee te nemen in de kinderrechtentoets die zij gaat uitvoeren.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Zeker ben ik daartoe bereid, want ik weet dat ik niet ergens boven sta. Ik ben maar gewoon een mens.


Brondocumenten


Historie

  • 23 juni 2026
    toezegging gedaan