De minister van Asiel en Migratie zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Karimi (GroenLinks-PvdA), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Janssen (SP) en Perin-Gopie (Volt), toe de Kamer vóór de stemming over de wetsvoorstellen schriftelijk te bevestigen dat de IND de nareisaanvraag van ongehuwde partners met een asielvergunning standaard ambtshalve zal toetsen op artikel 8 EVRM en aan te geven wat de objectieve criteria zijn om te beoordelen of iemand niet meewerkt aan terugkeer.
| Nummer | T04165 |
|---|---|
| Status | voldaan |
| Datum toezegging | 14 april 2026 |
| Deadline | 21 april 2026 |
| Verantwoordelijke(n) | Minister van Asiel en Migratie |
| Kamerleden | J.C. Huizinga-Heringa (ChristenUnie) mr. R.A. Janssen (SP) F. Karimi (GroenLinks-PvdA) G.K. Perin-Gopie MSc (Volt) |
| Commissie | commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad (I&A/JBZ) |
| Soort activiteit | Plenaire vergadering |
| Categorie | brief/nota |
| Onderwerpen | artikel 8 EVRM niet meewerken terugkeer |
| Kamerstukken | Novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf (36.855) Asielnoodmaatregelenwet (36.704) Wet invoering tweestatusstelsel (36.703) |
Handelingen I 2025/26, nr. 25, item 3
Mevrouw Karimi:
(…)
Allereerst de beperking van gezinshereniging. Die is juridisch gezien hoogst kwetsbaar. De voorstellen raken direct aan fundamentele rechten, met name waar het gaat om subsidiair beschermden. Voor hen, net als voor erkende verdragsvluchtelingen, vervalt het recht op gezinshereniging voor ongehuwde partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen. Daarnaast worden cumulatieve voorwaarden ingevoerd: een wachttijd van twee jaar, een inkomenseis en een huisvestingseis. Zelfs alleenstaande minderjarigen moeten aan de inkomens- en huisvestingseis voldoen voordat zij zich met hun ouders kunnen herenigen. Deze maken een gezinshereniging praktisch onmogelijk. Wat resteert, is in veel gevallen slechts een beperkte route via artikel 8 EVRM. Daarmee rijst de kernvraag hoe deze maatregelen zich verhouden tot het recht op gezinsleven, het non-discriminatiebeginsel en de rechten van het kind. De regering stelt dat dit binnen het EVRM en binnen het Unierecht past, maar de waarschuwingen stapelen zich op. Het College voor de Rechten van de Mens wijst op reële risico's en veel beroep op rechters. VluchtelingenWerk benadrukt de negatieve gevolgen van langdurige gezinshereniging voor integratie en maatschappelijke stabiliteit. De Raad van State stelt dat zulke beperkingen alleen houdbaar zijn als zij proportioneel zijn, goed gemotiveerd en voorzien van een daadwerkelijke individuele belangenafweging. Die overtuigende motivering ontbreekt. Sterker nog, de juridische twijfel neemt toe. Het Belgische Grondwettelijk Hof heeft op 26 februari jongstleden vergelijkbare beperkingen in de Belgische wetgeving geschorst en prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Belgische Grondwettelijk Hof wijst op mogelijke strijdigheid met het EU-recht, onder meer vanwege langdurige gezinsscheiding, de rechten van het kind en het onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden. Het Belgische Grondwettelijke Hof vraagt het Europese Hof nu letterlijk of dit soort maatregelen, namelijk wachttijden, inkomenseisen en onderscheid tussen groepen vluchtelingen, nog wel verenigbaar zijn met het recht op gezinsleven en de rechten van het kind. De Commissie Meijers heeft terecht benadrukt dat deze procedure direct relevant is voor de Nederlandse wetgeving.
Handelingen I 2025/26, nr. 25, item 3
Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie:
(…)
Gezinsherenigingsaanvragen op grond van artikel 8 EVRM, zo antwoordde de minister op schriftelijke vragen van mijn fractie, zijn in de regel complexe en tijdsintensieve aanvragen, ook omdat de beslissing op dit soort aanvragen een individuele belangenafweging vergt waarvoor geen vast omlijnd toetsingskader geldt. Met andere woorden, mensen die in hun thuisland gediscrimineerd en mogelijk vervolgd worden vanwege hun seksuele voorkeur, worden geconfronteerd met een procedure die zwaarder is dan die voor heteroseksuele personen. Hoe kan dit mogelijk zijn? Dat het kerngezin de vereiste internationaalrechtelijke minimum- norm is, kan toch geen argument zijn, gezien de samenlevingsvormen die in Nederland gebruikelijk zijn? Waarom heeft het kabinet voor de beperking tot gehuwde partners gekozen, nu het gevolg is dat mensen die vanwege wetgeving of sociale stigma's nooit een huwelijk konden aangaan, in een ingewikkeldere en tijdrovendere procedure voor gezinshereniging terechtkomen?
Handelingen I 2025/26, nr. 25, item 3
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ik ga weer verder. Ik ga nog even door op de Wet invoering tweestatusstelsel en de beperkingen die deze oplegt voor gezinshereniging. De enige reden die de regering in de memorie van toelichting geeft om ongehuwde partners uit te sluiten, is dat zij de ruimte in de Europese richtlijn maxi- maal wil benutten. Dit is de paradox van de eeuw. Afgelo- pen 1 april vierden onze premier en velen onder ons nog het 25-jarig jubileum van het allereerste homohuwelijk ter wereld met drie nieuwe huwelijken. Vandaag, nog geen twee weken later, bespreken we in deze Kamer of we gebruik kunnen maken van alle maximale ruimte die we maar kunnen vinden om mensen buiten het land te houden, ook als dat betekent dat stellen van gelijk geslacht uit een land waar het huwelijk nog niet gelegaliseerd is, niet bij elkaar kunnen zijn. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? De regering verwijst vervolgens steevast naar artikel 8 van het EVRM als vangnet om weer een lijn met het Unierecht te maken, maar dat betekent in de praktijk dat bescherming afhankelijk wordt van een onvoorspelbare individuele belangenafweging van rechterlijke correctie achteraf in plaats van wat de wetgever zou moeten doen, namelijk het bieden van heldere, onomwonden bescherming vooraf, die niet discrimineert op grond van seksuele oriëntatie. Voorzitter. Dit is niet hoe de wetgever hoort te werken. Het kabinet moet maatregelen willen aannemen waarin geen inherente discriminatie zit. Mijn vraag aan de minister is dan ook of hij van oordeel is dat er discriminatie zit in de regel dat ongehuwde partners niet mogen nareizen. Raakt die regel stellen van gelijk geslacht vaker dan andere stel- len? Zijn er plannen om deze discriminatie aan te pakken? Dezelfde vraag stel ik over stiefkinderen, geadopteerde kinderen en kinderen die net 19 zijn geworden. Ook voor hen pakt deze maatregel discriminatoir uit, omdat het niet altijd mogelijk of toegestaan is om adoptie of de relatie tot pleegkinderen te formaliseren op zo'n manier dat de juiste papieren beschikbaar zijn voor de IND. Ook hierbij vraag ik de minister wat zijn plannen zijn om dit recht te zetten.
Handelingen I 2025/26, nr. 25, item 3
De heer Janssen (SP):
(…)
Voorzitter, nog een keer. We weten hoe sterk het recht op familieleven is. Ik heb al verwezen naar België, hoewel dat ging over het Unierecht. Kan de minister, met de kracht van artikel 8 EVRM in gedachten, toch nog eens specifiek ingaan op de juridische houdbaarheid van de maatregel in deze wet die de mogelijkheid uitsluit dat nareizende ongehuwde partners en meerderjarige kinderen een afgeleide asielver- gunning voor bepaalde tijd krijgen? Hoe juridisch sluitend en houdbaar schat de minister dat in? Of heeft hij zelf ook gerede twijfel en laat hij het op een gerechtelijke uitspraak aankomen in Nederland of in Europa? Dan komen we weer in de molen terecht waarin de minister de rechter op de stoel van het kabinet en de politiek zet, en de rechter het verwijt krijgt dat hij op de stoel van de politiek gaat zitten als hij vervolgens zegt dat het niet mag. Graag een oordeel van de minister dus.
Handelingen I 2025/26, nr. 26, item 3
Minister Van den Brink:
(…)
Er zijn verschillende vragen gesteld over de ongehuwden. Dat debat heeft ook in de Tweede Kamer plaatsgevonden. Voormalig ... Nee, niet ... Ja, wel voormalig minister — ik ben immers de minister, maar het is nog wel steeds mijn collega — Van Weel heeft daar toentertijd antwoord op gegeven en gezegd hoe dat eruitziet. Met de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel beperken we de definitie van het kerngezin zoals met de Kamer is gewisseld. Deze verplicht tot de mogelijkheid van nareis van gehuwde partners en minderjarige kinderen. De mogelijkheid om in aanvulling daarop ook gezinshereniging toe te staan aan onder anderen ongehuwde partners is dan geen verplichting meer, maar het blijft voor ongehuwde partners mogelijk om een beroep te doen op 8 EVRM. Wanneer ongehuwde partners aannemelijk kunnen maken dat er sprake is van gezinsleven in de zin van 8 EVRM — dat gaat over de feitelijke gezinsband — dan kunnen zij alsnog in aanmerking komen voor verblijf bij hun partner in Nederland.
Handelingen I 2025/26, nr. 26, item 3
Minister Van den Brink:
Dan heeft de heer Janssen een vraag gesteld over artikel 8 EVRM. Het kabinet ziet in het Unierecht en in het EVRM ruimte om de nareis te beperken tot het kerngezin. Dat geldt ook voor mensen die nu al in de procedure zitten. Vreemdelingen die onder de nieuwe nareisvoorwaarden vallen, kunnen zich nog steeds beroepen op het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. In de lopende nareisaanvraag voor gezinsleden die door de wetswijziging buiten dat kerngezin zouden vallen, zal de IND een ambtshalve toets doen op artikel 8 EVRM. Dat vraagt dus niet iets extra's. Die mensen hebben een aanvraag gedaan en die zal ambtshalve op artikel 8 EVRM getoetst worden.
Mevrouw Huizinga, mevrouw Karimi, de heer Dittrich, mevrouw Perin-Gopie en mevrouw Van Toorenburg vroegen waarom ik deze maatregel neem. Het is onderdeel van de maatregelen om de nareis te beperken tot het kerngezin. Dat is binnen het Unierecht mogelijk, maar onder artikel 8 EVRM is gezinshereniging via een andere route nog steeds opeisbaar, volgens de definities zoals ik die net aangaf.
Handelingen I 2025/26, nr. 26, item 6
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
De minister heeft al meerdere malen in zijn betoog aangegeven dat mensen die niet meewerken aan hun vertrek, strafbaar worden. Kan de minister aangeven wat de objectieve criteria zijn om te beoordelen of iemand niet meewerkt?
Minister Van den Brink:
Het meest heldere voorbeeld dat ik kan geven is het volgende. Een land werkt niet mee aan gedwongen terugkeer. Dat betekent dat een vreemdeling die een terugkeerbesluit heeft en bij de Dienst Terugkeer en Vertrek in het proces zit, documentatie moet ondertekenen om die terugkeer mogelijk te maken. Dat kan dus alleen vrijwillig. Als je dat weigert en weigert, dan zou je op deze manier dus je terugkeer frustreren.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ik vroeg me af of er nog andere criteria zijn. Als een land jou niet terug wil nemen, dan is het op zich heel lastig om diegene überhaupt terug te sturen. In de formele reactie in de uitvoeringstoets heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek geschreven dat de terugkeerprocedure in de praktijk nooit echt klaar is en dat de dienst continu bezig blijft met mensen begeleiden naar terugkeer. Mijn vraag aan de minister is dan ook: wanneer is dat eindpunt dan bereikt?
Minister Van den Brink:
We hebben vandaag al vaker gesproken over jurisprudentie. Er is onlangs nieuwe jurisprudentie gekomen die vaststelt dat de vertrektermijn en de detentie maximaal achttien maanden mag duren. Voorheen werd die termijn van achttien maanden op meerdere momenten toegepast. Nu moet dat cumulatief. Als iemand de hele periode blijft, zich eraan probeert te onttrekken en niet meewerkt aan zijn terugkeer, en die achttien maanden zijn achter de rug, dan is hij echt zijn terugkeerproces aan het frustreren. Er zijn dus wel meerdere situaties denkbaar.
(…)
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Tot slot. Even een feitelijke vraag: wie neemt dan het besluit dat het proces gefrustreerd is en dat iemand niet meewerkt? Is dat dan de Dienst Terugkeer en Vertrek? Is dat de minister? Is dat de IND? Wie neemt het besluit dat er sprake is van iemand die niet meewerkt met terugkeer?
Minister Van den Brink:
Uiteindelijk is het aan de Dienst Terugkeer en Vertrek om te bepalen wanneer dat proces voorbij is. Het is duidelijk waar het artikel op ziet. Tegelijkertijd zal straks door een vervolgbeslissing van het OM duidelijk worden of zij hier op deze manier invulling aan geven. Dat leidt dan op enig moment tot een mogelijkheid tot strafvervolging.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik wil meegaan in de definitie van de beperkingen die de minister oplegt, in de zin van: zo moet je dat lezen. Mijn vraag is eigenlijk: wat is dan het verschil met de huidige situatie? Als ik het goed begrijp, moet degene die niet meewerkt een document tekenen. Als hij dat niet doet, gaat hij naar de gevangenis. Daar is hij dan zes maanden. Dan komt hij er weer uit. Dan gaat hij nog een keer zes maanden. Dan komt hij er weer uit. Dan gaat hij nog een keer zes maanden, tot die achttien maanden voorbij zijn. Wat is nou het verschil? Wat gaat er anders worden dan in de huidige situatie?
Minister Van den Brink:
Het maakt duidelijk dat we het in dit land normstellend vinden dat we mensen die niet meewerken aan hun terugkeer en die terugkeer frustreren, kunnen sanctioneren via het strafrecht. Daar zit dus een normstelling in. Die ligt hier voor. In de praktijk betekent dat dat iemand die daarom strafbaar wordt gesteld en voor zes maanden in de gevangenis komt, dat als pressiemiddel kan ondervinden om alsnog mee te werken aan zijn terugkeer. Zijn terugkeer gaat altijd voor straf, want de Terugkeerverordening gaat voor het strafrecht. Straf kan acuut omgezet worden naar terugkeer op het moment dat iemand in de gevangenis zit en zegt: nee, hier wil ik toch liever niet zijn; ik wil liever meewerken aan terugkeer. Dat is een manier waarop dit gaat werken.
Ten slotte heeft u het over een draaideureffect gehad. Ik denk dat u dat bedoelt, want ik heb bijna alle vragen inmiddels gehad. Dat draaideureffect ziet op niets anders dan de toepassing van de ongewenstverklaring en de strafbaarstelling daartoe. Daarvoor geldt op dit moment dat als we de ongewenstverklaring toepassen iemand na afloop van de gevangenisstraf eerst weer op straat terechtkomt. Dat wordt op enig moment geconstateerd — het is een duur delict — maar het is niet zo dat dat aan de poort van de gevangenis gebeurt. In die zin wordt iemand dus gewoon vrijgelaten, om diegene in de gelegenheid te stellen vrijwillig het land te verlaten, dan wel zich bij de Dienst Terugkeer en Vertrek te melden en mee te werken aan terugkeer, wat diegene überhaupt al had moeten doen.
Handelingen I 2025/26, nr. 26, item 6
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
(…)
Voorzitter. We zijn blij met de heldere toezegging die deze minister aan de Kamer heeft gedaan, en daarmee via ons eigenlijk ook aan de overkant, om er echt voor te zorgen dat mensen die in het land van vertrek niet konden trouwen, toch wat meer geholpen worden in de procedure in ons land. Als iemand de procedure doorloopt, gaan we ambtshalve bekijken of iemand op basis van artikel 8 EVRM wel een verblijfsrecht zou kunnen krijgen. Dat is heel erg belangrijk, want anders gaan we als Nederland weer een stap terug in de tijd. Wij zijn heel blij dat de minister dat heeft toegezegd.
Handelingen I 2025/26, nr. 26, item 6
Minister Van den Brink:
Dank u wel, voorzitter. Ik dank de Kamer voor de vragen, de gedachtewisselingen en de betrokkenheid die we hier vandaag hebben gehad. De wetten die ik vandaag heb verdedigd, verdedigde ik vanuit de noodzaak om na jaren van praten tot resultaten te komen en grip te krijgen op migratie. Die noodzaak heb ik hier breed gevoeld. We willen hier werken aan een samenleving die een veilige plek blijft voor hen die daar recht op hebben, maar ook ervoor zorgen dat mensen echt mee kunnen doen. Tegelijkertijd willen we de spankracht van de samenleving in standhouden. Dat alles doen we vanuit de overtuiging dat we dit samen kunnen bereiken en dat het ook moet gaan werken.
Ik heb u in het debat een aantal toezeggingen gedaan om in de uitvoering een aantal zaken te verbeteren. Dat gaat over de bestaande werkinstructie van de IND over de werking van artikel 8 van het EVRM, die wordt verduidelijkt voor de toetsing van ongehuwden. Daarnaast zeg ik u toe dat de IND de nareisaanvraag van ongehuwde partners met een asielvergunning standaard ambtshalve zal doortoetsen op artikel 8 van het EVRM. Meerdere leden vroegen mij dit ook nog schriftelijk te bevestigen, dus dat zal ik graag doen vóór de stemming. In het geval dat de Kamer de wetsvoorstellen aanvaardt, zal ik bij betrokken uitvoeringsorganisaties alle benodigde voorbereidingen treffen. Natuurlijk vervolg ik ook mijn gesprekken met maatschappelijke organisaties over de strafbaarstelling en zal ik in overleg met hen ook de informatie daarover tot stand doen komen. We blijven namelijk werken om onterechte zorgen en beelden weg te nemen.
Brondocumenten
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2025/2026, nr. 26, item 6
-
voortzetting behandeling Verslag EK 2025/2026, nr. 26, item 3
-
behandeling Verslag EK 2025/2026, nr. 25, item 3
-
20 april 2026
nieuwe status: voldaan
Voortgang:documenten:-
-
brief van de minister van A&M over toezeggingen gedaan tijdens de plenaire behandeling van de asielwetsvoorstellen
EK 36.703 / 36.704 / 36.855, P
-
-
14 april 2026
toezegging gedaan